| Nederlandse manager zoekt zinvol werk |
Waardering voor zingeving kan positief uitwerken op productiviteitAmsterdam - Zingevingsaspecten wegen zwaar onder Nederlandse managers, zelfs in economische moeilijke tijden. Zij willen werk doen waar enige maatschappelijke waarde van uitgaat. Een meerderheid levert graag salaris in voor een interessantere baan. Dit blijkt uit het Werk met Zin Onderzoek, dat het afgelopen jaar is uitgevoerd door Het Financieele Dagblad in samenwerking met Academia Aemstel en de auteur van dit artikel, consultant en publicist Peter ten Hoopen. Ruim 651 lezers reageerden daarbij op 84 stellingen. Een direct causaal verband is niet aan te tonen, maar het ligt voor de hand om in de sterke gerichtheid op als zinvol ervaren werk een verklaring te vinden voor Nederlands superieure arbeidsproductiviteit. Diverse studies, waaronder een recente getiteld Productivity, Performance and Progress van de Friedrich Ebert Stiftung, tonen aan dat Nederland wereldleider is in termen van bruto binnenlands product per gewerkt uur. In het buitenland vraagt men zich vaak af: hoe wordt die bereikt terwijl jullie vier of vijf weken vakantie hebben, veel tijd steken in ontwikkeling van mensen, en eindeloos vergaderen? De rol van consensusdenken, een erfenis van ons polderen, is vaak genoemd. Maar de resultaten van het onderzoek suggereren sterk dat zeker zo belangrijk is dat wij ervoor kiezen om werk te doen dat inspireert en motiveert. Als de behoefte aan zinvol werk inderdaad kenmerkend is voor de 'Nederlandse instelling', of er een belangrijk aspect van uitmaakt, dan is dit goud waard voor het Nederlandse bedrijfsleven. Want wie werk doet dat hij als zinvol ervaart, doet dat in de regel met meer toewijding en passie dan iemand die maar wat doet, als het maar geld oplevert. Als het werk voldoening geeft, zijn mensen ook minder ziek en kunnen ze door hun toewijding een onderneming zelfs op een hoger plan van functioneren brengen. Dat geldt op alle niveaus van de organisatie, zij het in sterkere mate voor die functies waarbij de mentale instelling directe invloed heeft op de resultaten, en in mindere mate voor bijvoorbeeld lopendebandwerk en het vullen van schappen. De 84 stellingen van het onderzoek zijn grotendeels gebaseerd op de niveaus van de bekende piramide van Maslov, die al ruim een halve eeuw wordt gebruikt in managementtrainingen en workshops self-management. Ter opfrissing: de psycholoog Abraham Maslow onderscheidde in 1943 vijf fundamentele menselijke behoeften en bracht daarin een hiërarchische ordening aan die hij verbeeldde als een piramide. De onderste lagen zijn van vitaal belang, de hogere aspirationeel. Van de grond af: overleven, veiligheid (in ontwikkelde landen lees financiële zekerheid), sociale inbedding, respect, en als top van de piramide zelfverwerkelijking. Maslow onderkende de wetmatigheid dat we aan de hogere niveaus pas toekomen als aan de onderste afdoende is voorzien. Als je honger hebt, gaan je aspiraties niet verder dan het creëren van inkomen. Je gaat je over respect pas zorgen maken als je overleven zeker is, je je veilig voelt, en je gesteund voelt door je omgeving. Daar staat tegenover dat als je eenmaal een bepaald niveau hebt bereikt, je vanzelf naar het hogere gaat reiken. In deze termen zit Nederland duidelijk in de hogere niveaus, waarop zingeving zwaarder gaat wegen dan inkomen. Zo scoort de stelling 'Voor een interessantere baan lever ik graag wat salaris in' een 6,1 (uit maximaal 10). Dat is normaal gesproken een krappe voldoende, maar verbluffend hoog in een tijd waarin je zou verwachten dat de meeste mensen blij zouden zijn met welke baan dan ook. Iets beter scoort 'Mijn werk heeft alleen zin als het iets van maatschappelijke waarde oplevert'(6,4). Het gaat in Nederland, zelfs in een crisistijd, duidelijk niet alleen om brood op de plank. Dezelfde opstelling blijkt uit een 'rapportcijfer' van 9,9 voortkomend uit de massaal afgewezen stelling 'Mijn werk interesseert me geen moer, als het maar goed betaalt'. Ook sterk afgewezen wordt 'Ik sta nooit stil bij wat mijn werk teweegbrengt' (8,4). Sterke instemming is er te vinden met de stellingen 'Het werk dat ik doe is in overeenstemming met mijn waarden' (7,6), 'Wie ik ben en hoe ik werk zijn heel nauw met elkaar verbonden' (8,3), 'Ik wil werken voor een organisatie die mijn waarden deelt' (8,3) en 'Ik vind het belangrijk dat de leiding oog heeft voor persoonlijke zingeving' (8,0). Helaas werkt nog niet iedereen in een organisatie waarin dit ook werkelijk het geval is. De stelling 'Het leiderschap van onze organisatie besteedt veel aandacht aan zingeving' scoort een kleine onvoldoende (5,4), aangevend dat er ruimte zit tussen onze aspiraties op het gebied van zingeving en wat we werkelijk beleven. Op dit terrein valt de komende jaren dus nog flink wat winst te realiseren, vooral door verbetering van leiderschap. Hoogopgeleide vrouwen van middelbare leeftijd, en de wat oudere consultants scoren het hoogst op zingeving. De zorg biedt als sector in zijn geheel veruit de hoogste graad van zingeving, ICT de laagste. En binnen die laatste sector scoren jonge mensen het allerlaagst. Deelnemers die eigen baas zijn, vinden hun werk gemiddeld 11,5% meer zingevend dan mensen in loondienst. Er is ook een duidelijke relatie met inkomen: hoe hoger het inkomen, hoe hoger de zingevingsgraad van het werk. Niet blijkt wat oorzaak is en wat gevolg, maar de reactie op de stellingen wijzen in de richting van 'passie genereert geld', niet omgekeerd. De inzet van de deelnemers was met 651 respondenten zeer hoog. Driekwart van de participanten bleek bereid om na het werk aan de 84 stellingen ook nog een paar stevige open vragen te beantwoorden: Wat verstaat u onder zingeving? Wat is het meest zingevende aspect van uw werk? Wat is het minst zingevende aspect van uw werk? De analyse van de bijna 1500 tekstbijdragen is nog niet afgerond, maar nu al is duidelijk dat op de vraag naar wat het meest zingevend is, de categorie 'anderen inspireren, helpen ontwikkelen, leiderschap' het sterkst vertegenwoordigd is. Gezien de afstand die er nog bestaat tussen aspiratie en werkelijkheid is dit voor ondernemend Nederland een bemoedigend gegeven. Peter ten Hoopen |
(Het Financiële Dagblad 25 november 2010) |


