Hoe domheid zich eindeloos uitbreidt

Voor economen is het gevaarlijker een afwijkend standpunt in te nemen dan een stom standpunt, stelt de Amerikaanse journalist John Cassidy. De wereld heeft nog veel te leren van de crisis van 2008.

Die hervorming van de economie, komt daar nog wat van? Na de crisis in de jaren dertig besloot de westerse wereld collectief zich minder afhankelijk te maken van de grillen van de vrije markten. De overheid kreeg een grotere rol als stabiel tegenwicht tegen wispelturige, hebzuchtige en hijgerige beleggers, ondernemers en consumenten.

Na de crisis van 2008 is een dergelijke beweging voorlopig uitgebleven. Aanvankelijk groeide de overheid razendsnel: banken werden genationaliseerd, bedrijven mochten hun werknemers tijdelijk in de WW parkeren en de investeringen in infrastructuur werden fors opgeschroefd.

Nu lijkt echter alweer een tegengestelde trend aan de gang. Om de kosten van de reddingsoperaties te dragen, moet de overheid juist kleiner worden, is de gedachte. De ene na de andere regering kondigt draconische bezuinigingen aan. Gedwongen door de financiële markten, heet dat, maar hadden die met hun wispelturige gedrag de crisis juist niet mede veroorzaakt? De bevolking lijkt het in meerderheid niet meer dan logisch te vinden. Politieke partijen die het hardst in het overheidsapparaat willen snijden, winnen overal de verkiezingen, ook in Nederland.

Een wonderlijke ontwikkeling, want zo wordt het wel erg lastig lessen uit de crisis te trekken. Hoe laat de roep om meer toezicht op bedrijven en financiële markten zich bijvoorbeeld rijmen met een fors kleiner overheidsapparaat?

Er ligt nog steeds een grote opdracht op de wereld te wachten, stelt de Amerikaan John Cassidy in Wat als de markt faalt? – De kracht van het irrationele in de economie. Als iedereen nu weer overgaat tot de orde van de dag, zal de wereld volgens hem ten prooi vallen aan ‘vriendjeskapitalisme van ongekende omvang, dat een lachertje zou maken van de democratische idealen die de twee Amerikaanse politieke partijen zeggen te vertegenwoordigen’.

Dat is een harde uithaal van Cassidy, die zich in de rest van zijn betoog laat kennen als een voorzichtige en precieze denker. De journalist van The New Yorker beschrijft uitgebreid en gedegen in welke mate vrije markten tekortschieten en op welke terreinen ze dus dienen te worden gecorrigeerd, met wetgeving, toezicht of een andere vormen van staatsbemoeienis. Hij neemt de lezer mee langs alle grote economische denkers.

Adam Smith, de grondlegger van de moderne economie, beschreef reeds de menselijke obsessie met het kortetermijngewin. ‘In vergelijking met het genot dat we misschien vandaag kunnen ondervinden, interesseert het genot dat wij over tien jaar kunnen hebben ons zo weinig, dat het ene nooit in evenwicht kon worden gehouden door het andere, als het niet werd ondersteund door fatsoensbesef’, schreef hij in The Theory of Moral Sentiments.

De vrijemarktdenkers, die de afgelopen dertig jaar de economische discussie beheersten, verklaarden dat fatsoensbesef overbodig. Als iedereen zijn eigen belang zou nastreven, zou de ‘onzichtbare hand’ van Adam Smith er vanzelf voor zorgen dat het geld op de goede plek terechtkwam en de economie maximaal kon floreren.

Het streven naar rationeel eigenbelang zou bedrijven automatisch fatsoenlijk maken, was de gedachte. Ze zouden immers enorme reputatieschade kunnen lijden als ze zich niet fatsoenlijk zouden gedragen. Cassidy laat zien dat deze redenering lang niet altijd opgaat. Ze ging zeker niet op voor de banken, die in hun zucht naar winst alle andere belangen veronachtzaamden. De olieramp in de Golf van Mexico laat zien dat er nog niets is veranderd. BP was zo geobsedeerd door lage kosten en een zo hoog mogelijke winst, dat het risico van reputatieschade uit het oog werd verloren. De mens is eenvoudigweg niet in staat al zijn belangen rationeel te wegen, hij wordt te vaak verblind door meer dierlijke driften.

Het bedrijfsleven is daardoor ook niet in staat echt op lange termijn te denken. Cassidy komt tot vergelijkbare conclusies als recentelijk de Nederlandse filosoof Hans Achterhuis. De vrijemarktdenkers hebben last van utopische gedachten, bijna net zo utopisch als de gedachten van een volbloed communist. Beide ideologieën vertonen dezelfde overlevingsstrategieën: tegenspraak wordt effectief uitgeschakeld. De financiële wereld, die nog steeds een onbegrensd geloof heeft in de ‘onzichtbare hand’, heeft de sterke neiging met één mond te spreken, blijkt uit onderzoek. Iedereen is geneigd elkaar na te praten. Het is voor economen, analisten en vermogensbeheerders gevaarlijker een afwijkend standpunt in te nemen dan een dom standpunt.

‘Het idee erachter is dat als jij iets doms doet, maar iedereen doet even dom op hetzelfde moment, mensen niet gaan denken dat jij stom bent’, zegt econoom Jeremy Stein tegen Cassidy. Wie in zijn eentje probeert de slimste te zijn en ongelijk blijkt te hebben, ligt er echter meteen uit. Domheid heeft derhalve, als ze een bepaalde kritische massa heeft bereikt, de neiging zich eindeloos uit te breiden.

Een van de gevolgen hiervan is dat analisten en vermogensbeheerders tot het laatst toe bleven volhouden dat er niets aan de hand was op de Amerikaanse huizenmarkt. Zelfs al hadden ze het gevoel dat er een zeepbel werd opgeblazen die elk moment kon knappen, dan nog was het beter mee te praten met de meerderheid en vol te houden dat er niets aan de hand was.

Wie het niet eens is met de overgrote meerderheid loopt het risico geëxcommuniceerd te worden. Medewerkers van grote beleggingsfondsen die een andere strategie volgen dan de meeste van hun collega’s lopen een grote kans te worden ontslagen, blijkt uit onderzoek van de Amerikaanse economen Judith Chevalier en Glenn Ellisont.

Lang niet alles wat Cassidy beschrijft is nieuw. Bovenstaand gedrag werd bijvoorbeeld ook al door John Maynard Keynes onderkend: ‘Het is voor iemands reputatie beter om op conventionele wijze te falen dan op onconventionele wijze te slagen.’

Keynes heeft misschien wel het meest geschreven over de irrationaliteit van financiële markten die worden beheerst door Animal Spirits, maar er zijn ook nog anderen. George Akerlof bijvoorbeeld beschreef waarom de markt van tweedehands auto’s niet goed werkt. Kopers zijn vaak zo bang dat ze een kat in de zak kopen dat ze niet de volle prijs willen betalen. Dit leidt ertoe dat verkopers van goede auto’s besluiten hun auto niet meer via de vrije markt te verkopen, waardoor op de vrije markt alleen de wrakken overblijven.

Dit mechanisme is op tal van terreinen werkzaam, ook bij commerciële zorgverzekeraars in de Verenigde Staten bijvoorbeeld. Die zijn zo bang fysieke wrakken als klant te krijgen dat ze een te hoge premie rekenen, waardoor gezonde patiënten besluiten hun heil elders te zoeken en de wrakken onverzekerd achterblijven.

De opsomming van Cassidy is lang, maar hij kiest geen partij. Hij wil de vrije markt zeker niet afzweren en pleit ook niet voor een terugkeer naar het Keynesianisme, waarin voor de overheid een veel grotere rol is voorzien. Cassidy pleit slechts voor precisie. We moeten ons realiseren dat markten tekortschieten of tekort zouden kunnen schieten en op basis daarvan besluiten wat de overheid zou moeten doen. Iets meer realiteitszin en iets minder utopische vergezichten, graag.

Pieter Klok

(De Volkskrant 17 juli 2010)